CRvB 3 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:470

Het onderzoeksrapport van het Uwv, waarin de onderzoeksbevindingen van de politie, informatie van de netbeheerder en een verslag van het gesprek met appellante zijn opgenomen en in onderlinge samenhang besproken, bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het Uwv dat appellante gedurende de periode van 1 november 2015 tot en met 3 april 2016 een hennepkwekerij in haar huurwoning heeft geëxploiteerd. Appellante heeft tegenover de politie en het Uwv over haar betrokkenheid bij de in haar huurwoning aangetroffen hennepkwekerij wisselende verklaringen afgelegd. Ook heeft zij wisselende verklaringen afgelegd over andere personen die bij de hennepkwekerij betrokken zouden zijn geweest, waarbij zij geen verifieerbare informatie over deze personen heeft verschaft. Het standpunt van appellante dat het Uwv is uitgegaan van een onjuiste ontnemingsperiode, waarbij zij heeft verwezen naar het arrest van het gerechtshof van 6 september 2017, leidt niet tot een ander oordeel. De gevolgen van het ontbreken van concrete, verifieerbare gegevens over het inkomen van appellante over de betreffende periode vallen geheel binnen haar risicosfeer. Bevoegdheid om de inkomsten uit de hennepkwekerij schattenderwijs vast te stellen. Schending van de inlichtingenplicht. Geen feitelijke aflossingscapaciteit. De rechtbank wordt dan ook gevolgd in het oordeel dat de boete van € 40,- evenredig is. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken