CRvB 3 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:468
Het geschil tussen partijen betreft uitsluitend de vraag of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in de tweede volzin van artikel 35 van de WW. Op appellant rust de bewijslast van de aanwezigheid van een bijzonder geval. Anders dan appellant heeft gesteld, is niet gebleken dat hij op 30 september 2014 op het inloopspreekuur bij het Uwv Werkbedrijf is geweest om een WW-uitkering aan te vragen en daar toen is weggestuurd. Niet in geschil is dat appellant zich op 14 juni 2016 bij het Uwv Werkbedrijf heeft ingeschreven als werkzoekende en tevens kenbaar heeft gemaakt dat hij een aanvraag wilde doen voor een WW-uitkering. Vaststaat dat deze aanvraag niet tot stand is gekomen. Dat de overtuiging van appellant dat hij geen recht had op WW-uitkering zonder woonadres en daarom niet eerder een WW-aanvraag heeft kunnen indienen, te wijten is aan onjuiste informatie van het Uwv heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Ook anderszins is niet gebleken dat appellant onjuist is geïnformeerd door het Uwv. Nu van de zijde van appellant geen nadere informatie is gegeven over de gestelde verstrekte onjuiste informatie door het Uwv Werkbedrijf aan appellant waardoor appellant niet eerder een WW-aanvraag heeft kunnen indienen, is er geen aanleiding om een bijzonder geval aan te nemen. In de aangevoerde persoonlijke omstandigheden wordt evenmin aanleiding gezien om een bijzonder geval aan te nemen. Aangezien van een bijzonder geval in dit geval geen sprake is, was het Uwv niet bevoegd om af te wijken van het bepaalde in artikel 35, eerste volzin, van de WW. Hieruit volgt dat het Uwv terecht de WW-uitkering niet heeft uitbetaald. Uit wat is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Het verzoek van appellant om vergoeding van wettelijke rente wordt daarom afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl