CRvB 24 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:420

Op grond van de artikelen 11a, eerste lid, onder b van de TW en artikel 20, eerste lid van de TW is het Uwv gehouden de toeslag te herzien en terug te vorderen voor zover deze tot een te hoog bedrag is verstrekt. In het toekenningsbesluit van 11 april 2014 is Uwv uitdrukkelijk vermeld dat de toeslag een voorlopig bedrag is, dat zodra de jaarcijfers van de Belastingdienst zijn ontvangen de hoogte van de toeslag wordt vastgesteld en dat het kan zijn dat appellant een bedrag moet terugbetalen. Aangezien de jaarcijfers over 2013, 2014 en 2015 pas in 2016 bij het Uwv zijn ontvangen, terwijl het Uwv daar al eerder bij appellant om had gevraagd, valt het Uwv geen verwijt te maken van het naderhand vaststellen van het definitieve bedrag van de toeslag. Met betrekking tot het verzoek om kwijtschelding heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant daarvoor niet in aanmerking komt. In geval van appellant is vanwege het ontbreken van een aflossingscapaciteit nog geen terugbetalingsverplichting tot stand gekomen. Ingevolge paragraaf 4.3 van de bijlage bij de Beleidsregels terug- en invordering is kwijtschelding in dat geval, waarbij de vordering meer dan € 2.269,- bedraagt, pas aan de orde als 10 jaar zijn verstreken na de vaststelling dat geen sprake is van aflossingscapaciteit of vanaf de laatste ontvangen betaling. Die 10 jaar zijn in het geval van appellant nog niet verstreken. Uit de overwegingen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat het beroep tegen het besluit van 2 december 2019 ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen