CRvB 23 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:390

Uit de omschrijving van het begrip ‘verlof’, zoals hierboven weergegeven, volgt dat daarvan slechts sprake kan zijn indien tussen werkgever en werknemer is overeengekomen dat de werknemer gedurende een bepaald tijdvak voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd geen arbeid verricht. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld was daarvan in dit geval sprake. Niet in geschil is dat appellante in verband met het verlof in de aangiftetijdvakken van 10 oktober 2016 tot en met 4 december 2016 minder loon heeft genoten en dat zij in het aangiftetijdvak van 12 september 2016 tot en met 9 oktober 2016 een loon van € 2028,20 genoot. Op grond van artikel 6, eerste lid, van het Dagloonbesluit moet daarom ook in de aangiftetijdvakken van 10 oktober 2016 tot en met 4 december 2016 van dit bedrag worden uitgegaan. Ook de hogerberoepsgrond tegen het oordeel van de rechtbank over de opgebouwde vakantietoeslag slaagt. Wat hiervoor is overwogen leidt ertoe dat het loon in het refertejaar € 24.236,04 bedraagt en dat het dagloon moet worden vastgesteld op ((24.236,04 -/- € 1.506,24) x 1,08) / 261 = € 94,05. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd, voor zover daarbij het dagloon is vastgesteld op € 85,35. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het dagloon vast te stellen op € 94,05. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken