CRvB 17 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:389
Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant de relatief korte afstand van 1,1 kilometer van zijn woning naar zijn werk met zijn scootmobiel kan afleggen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn scootmobiel daarvoor niet geschikt is. Hieruit volgt dat de scootmobiel in combinatie met de vergoeding voor de rolstoeltaxi voor 120 dagen per jaar op declaratiebasis als een adequate voorziening kan worden beschouwd voor het woon-werkverkeer in [gemeente]. Vaststaat dat appellant geregeld voor zijn werk naar plaatsen buiten [gemeente] moet reizen. Anders dan het Uwv stelt, biedt artikel 36 van de Wet WIA geen grondslag om de werkgever van appellant de meerkosten voor deze reizen te verstrekken. De wettekst van artikel 35 van de Wet WIA biedt ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de door appellant gevraagde voorziening niet onder deze bepaling valt. Hieruit volgt dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd dat appellant niet in aanmerking komt voor de gevraagde vervoersvoorziening voor reizen buiten [gemeente]. Er kleeft daarom in zoverre een gebrek aan het bestreden besluit. Opdracht aan het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Een oordeel over de afwijzing van het verzoek tot veroordeling tot schadevergoeding door de rechtbank en een beslissing over het verzoek tot veroordeling tot schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt aangehouden tot de einduitspraak.
De uitspraak op rechtspraak.nl