CRvB 12 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:335

Het oordeel van de rechtbank dat het door het Uwv verrichte onderzoek naar (het bestaan van) de dienstbetrekking van appellant bij [bedrijf] en de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte uitkeringen voldoende zorgvuldig en toereikend is geweest en de overwegingen die aan dat oordeel ten grondslag liggen worden onderschreven. Voorts wordt met de rechtbank geoordeeld dat het Uwv met de gegevens uit het onderzoek voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is geweest van een dienstbetrekking van appellant met [bedrijf]. Nu het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [bedrijf] en appellant niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat het standpunt van het Uwv onjuist is, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat appellant in de perioden in geding niet als werknemer verzekerd was voor de WW en de ZW en dat het Uwv deze uitkeringen, alsmede de eenmalige toegemoetkoming, op goede gronden heeft ingetrokken en de onverschuldigd betaalde uitkeringen van appellant teruggevorderd.Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken