CRvB 22 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3253

Net als bij de rechtbank heeft appellant in hoger beroep vrijstelling van het betalen van griffierecht gevraagd. Hij heeft daarbij schriftelijk verklaard dat hij niet in staat was het griffierecht te betalen omdat hij niet beschikt over inkomen en vermogen. Gelet op de hiervoor weergegeven uitspraak, was dat, behoudens een aanwijzing dat deze verklaring niet juist zou zijn, in het geval van appellant die geen financiële band heeft met Nederland, voldoende voor het verlenen van vrijstelling. Niet is gebleken dat de situatie van appellant in beroep anders was dan in hoger beroep. Dat betekent dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het verzoek van appellant in beroep niet kon worden gehonoreerd. Afwijzing verzoek om draagkrachtmeting. Uit artikel 6.8 van de Wsf 2000, dat op grond van artikel 10a.3 van de Wsf 2000 voor appellant van overeenkomstige toepassing is, volgt, voor zover hier van belang, dat de schulden achterstallig zijn geworden omdat de te betalen termijnbedragen twee weken na de vervaldatum nog niet waren ontvangen. Uit artikel 10a.7, eerste lid, van de Wsf 2000 volgt dat draagkrachtmeting voor deze schulden niet (meer) mogelijk is. De minister heeft het bedoelde verzoek dan ook mogen afwijzen. Er is aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken