CRvB 7 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3059
Toekenning bijstand op grond van BBZ 2004 tot maximale termijn van 36 maanden. Weigering van bijstand op grond van PW. Beroep op individualiseringsbeginsel, zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel en menselijke maat slaagt niet. De in artikel 23, eerste lid, van het Bbz 2004 opgenomen termijn van 36 maanden is 1 februari 2018op verstreken. Appellant niet voldoet aan de in dat artikel genoemde voorwaarden om voor verlenging van die termijn in aanmerking te komen. Die bepaling biedt het college geen ruimte om de termijn te verlengen in verband met de daling van de omzet van de onderneming. Appellant was steeds volledig beschikbaar voor de uitoefening van de onderneming. De beroepsgrond dat het college die termijn met toepassing van het in artikel 18, eerste lid, van de PW opgenomen individualiseringsbeginsel had moeten verlengen, slaagt niet. Artikel 18, eerste lid, van de PW biedt daartoe niet de mogelijkheid, omdat appellant geen recht heeft op voortzetting van bijstand op grond van het Bbz 2004. Deze afstemmingsbepaling kan pas worden toegepast nadat is vastgesteld dat een recht op bijstand bestaat. Nu appellant op grond van het Bbz 2004 geen recht heeft op verlenging van bijstand slaagt de beroepsgrond dat het college in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel en de menselijke maat niet in acht heeft genomen evenmin. Een betrokkene die voldoet aan de criteria van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004 kan alleen in de hoedanigheid van zelfstandige en met toepassing van artikel 2 van dit besluit eventueel aanspraak maken op bijstand ingevolge het Bbz 2004.
De uitspraak op rechtspraak.nl