CRvB 10 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2865

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de hiervoor bedoelde situatie zich voordoet en ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Het Uwv heeft het dagloon van verzoekster met ingang van de loondervingsuitkering per 1 december 2000 en van de vervolguitkering per 1 juni 2001 op de juiste wijze vastgesteld. Terecht heeft het Uwv de hoogte van het vervolgdagloon, met toepassing van artikel 21b, lid 4, van de WAO, bepaald op het dagloon en is er geen verhoging toegepast in verband met leeftijd. Tenslotte is er geen twijfel aan de wijze waarop het dagloon is geïndexeerd. Verzoekster heeft daartegen ook geen duidelijke grond gericht. Door het Uwv is pas in hoger beroep een deugdelijke motivering aan het bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv bij het bestreden besluit 2 het bezwaar van verzoekster tegen de betaalspecificatie van 9 maart 2020 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Gelet daarop bestaat ook geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de proceskosten van verzoekster.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen