CRvB 11 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2848
Onvoldoende feitelijke grondslag om de bezoldiging van appellante stop te zetten. De gemachtigde van de staatssecretaris heeft tijdens de zitting gezegd dat zij het voorstelbaar acht dat in bepaalde situaties een mediator van buiten de pool van de [Dienst] wordt ingeschakeld. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat appellante onvoldoende heeft meegewerkt aan het tot stand komen van een mediationtraject. Daarbij komt dat het recht van bezoldiging van appellante is herleefd, nadat er op 21 mei 2019 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen appellante, haar moeder, de leidinggevende, de loopbaanadviseur en de HR juridisch adviseur. De staatssecretaris achtte mediation uiteindelijk dus niet noodzakelijk. Hieruit volgt dat de directe aanleiding voor het stopzetten van de bezoldiging is komen te ontvallen.
De uitspraak op rechtspraak.nl