CRvB 11 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2814
Niet in geschil is dat appellant zijn certificaat heeft behaald op 31 oktober 2016 en dat hij zijn aanvraag voor de scholingsvoucher heeft gedaan op 23 december 2016. Dit is niet binnen de in artikel 5, eerste lid, van de Regeling genoemde termijn van uiterlijk twee weken na aanvang van de scholing. Bovendien heeft appellant bij zijn aanvraag vermeld dat de opleiding zou beginnen per 7 januari 2017, terwijl hij het certificaat van die opleiding toen al had behaald. Daardoor heeft het Uwv ten onrechte de scholingsvoucher toegekend, terwijl appellant wist of behoorde te weten dat dit onjuist was. Dit betekent dat het Uwv op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb bevoegd was de subsidie in te trekken. Partijen verschillen van mening over de vraag of het Uwv in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Beleidsnotitie Herziening en terugvordering scholingsvoucher van 4 maart 2019. Gelet op de omstandigheden wordt geoordeeld dat het Uwv in redelijkheid tot intrekking van de subsidievaststelling heeft kunnen besluiten. Uit artikel 4:57 van de Awb volgt echter dat sprake is van een discretionaire bevoegdheid tot terugvordering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Ook het Uwv heeft zich eerst in verweer in het hoger beroep op het standpunt gesteld dat bij een terugvordering als hier aan de orde, sprake is van een discretionaire bevoegdheid, waardoor op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Awb de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moeten worden afgewogen. Gelet op wat hiervoor is overwogen, kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Aanleiding bestaat om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat appellant hierdoor niet is benadeeld. In de hoger beroepsprocedure heeft het Uwv nader uiteengezet dat in de Beleidsnotitie is verwoord in welke gevallen van terugvordering wordt afgezien. Appellant voldoet niet aan deze criteria. Verder is het Uwv niet gebleken dat appellant als gevolg van de terugvordering in onoverkomelijke problemen is komen te verkeren. Appellant heeft dit niet betwist. Uit de door appellant ter zitting gegeven beschrijving van de gang van zaken rond de aanvraag, volgt dat deze in overwegende mate werd geregeld door zijn werkgever. Appellant is echter zelf verantwoordelijk voor de juistheid van de aanvraag. Voor zover de werkgever daarbij fouten heeft gemaakt, kan appellant zich daarvoor tot zijn werkgever wenden. Appellant heeft niet onderbouwd dat deze collega’s in dezelfde positie verkeerden als hij. Ook overigens zijn door appellant geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Uwv van de terugvordering zou moeten afzien. Dit betekent dat het Uwv in redelijkheid kon overgaan tot rugvordering van de aan appellant verleende subsidie. Uit de overwegingen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, zal worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl