CRvB 11 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2812
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De overwegingen die aan dit oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Zoals het Uwv terecht heeft opgemerkt, zou een beoordeling eerst na het verstrijken van de 52 weken tot ongeschiktheid tot werken tot gevolg hebben dat een ZW-uitkering niet direct volgend op de periode van 52 weken – met inachtneming van een uitlooptermijn van een maand – kan worden beëindigd, ook al voldoet een betrokkene niet aan de voorwaarden die worden gesteld in artikel 19aa van de ZW. De overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Bij deze uitkomst is er geen grond voor de door appellante gevraagde vergoeding van de wettelijke rente.
De uitspraak op rechtspraak.nl