CRvB 22 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2749
Het nadere besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken. Uitbetaling en terugvordering van verlofuren. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant hiermee niet tekort is gedaan. Ter zitting heeft appellant naar voren gebracht dat hij dit oordeel niet betwist, maar dat hij op grond van de billijkheid aanspraak kan maken op een vergoeding. Daarin volgt de Raad appellant niet. Bijzondere omstandigheden die leiden tot een onbillijkheid zijn door appellant niet gesteld en de Raad ook niet gebleken. Genoemd algemeen rechtsbeginsel vordert niet dat de ambtenaar in een gunstigere positie komt te verkeren dan wanneer hij niet was ontslagen. Het terugvorderen en verrekenen van de bij het ontslag van 1 april 2007 uitbetaalde verlofuren, is in overeenstemming met de hiervoor genoemde rechtspraak. Bij het genoemde besluit van 19 maart 2013 is de ontslagdatum gewijzigd in 28 september 2011. Anders dan appellant heeft aangevoerd, is vervolgens teruggevorderd binnen de termijn van twee jaar van de eerder genoemde uitspraak. Het hoger beroep slaagt op dit punt niet. Terugvordering/verrekening proportionele diensttijdgratificatie. In verband met de opschuiving van de ontslagdatum had appellant alsnog recht op een gratificatie behorend bij 40 dienstjaren in plaats van een proportionele diensttijdgratificatie die liep tot 1 april 2007. Het alsnog toekennen van de gratificatie behorend bij 40 dienstjaren en het gelijktijdig terugvorderen van de al uitgekeerde proportionele diensttijdgratificatie is in overeenstemming met de hiervoor genoemde rechtspraak. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister de uitbetaalde proportionele diensttijdgratificatie ten onrechte bruto heeft teruggevorderd door het netto uitgekeerde bedrag van € 3.567,48 te verhogen met een bedrag van € 2.583,35, zodat in dit verband in totaal € 6.150,83 is teruggevorderd. Daarbij heeft hij zich beroepen op artikel 9, zesde lid, van de Inkomstenregeling burgerlijke ambtenaren defensie (Ibad). Dit betoog slaagt. De aangevallen uitspraak zal in zoverre worden vernietigd. Wettelijke verhoging. Appellant heeft er in hoger beroep terecht op gewezen dat hier niet het ARAR maar het Bard van toepassing is. Dit leidt echter niet tot het oordeel dat aan appellant een wettelijke verhoging toekomt, aangezien ook het Bard hiervoor geen basis biedt. Premies OP/NP, IP, VUT/FPU en IPBW hoog. Nog daargelaten dat appellant deze stelling niet concreet heeft onderbouwd, overweegt de Raad hierover dat de inhouding van de desbetreffende premies en de vaststelling in dit verband van het pensioengevend jaarinkomen een aangelegenheid is van privaatrechtelijke aard waarover de Raad niet bevoegd is te oordelen. In dit verband kan uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld. De minister heeft het bezwaar van appellant op dit punt ten onrechte ontvankelijk geacht en ongegrond verklaard. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. De aangevallen uitspraak moet in zoverre worden vernietigd. Hoogte proceskostenvergoeding beroepsfase. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt. Nadere besluit van 15 oktober 2019 over de vergoeding van wettelijke rente. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de minister een herberekening gemaakt van de wettelijke rente die over de periode 1 april 2007 tot 28 september 2011 is verschuldigd. Hierbij heeft de minister, naast de door de rechtbank voorgeschreven uitgangspunten, de hierboven beschreven systematiek gehanteerd. Anders dan appellant heeft gesteld, is de minister hierbij telkens van de juiste ingangsdata uitgegaan en is niet een berekening gemaakt op basis van de systematiek van enkelvoudige rente. Dat het totaalbedrag aan wettelijke rente over de genoemde periode van € 12.712,47 onjuist zou zijn berekend, is niet gebleken. Over wat appellant naar voren heeft gebracht over het genoemde bedrag van € 8.230,59 wordt het volgende overwogen. Het is niet gebleken dat het genoemde totaalbedrag van € 8.230,59 aan wettelijke rente onjuist is berekend. Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2019 ongegrond moet worden verklaard. Van voor vergoeding in aanmerking proceskosten in hoger beroep is niet gebleken.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CRvB 20 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3992
- CRvB 10 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3069
- CRvB 24 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2180
- CRvB 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958
- CRvB 30 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3749
- CRvB 7 december 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4722
- CRvB 24 februari 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AA5418