CRvB 20 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2604
Bij de beantwoording van de vraag of juiste toepassing van het bepaalde in artikel 5.7, derde lid, van de Wsf 2000 leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard komt, anders dan de minister heeft aangevoerd, onvoldoende betekenis toe aan het gegeven dat aan appellante een subsidie voor de studiekosten is toegekend. Deze subsidie staat los van de mogelijkheid om studiefinanciering te ontvangen en zij kon aan alle studenten aan lerarenopleidingen als die van appellante, op aanvraag, onder voorwaarden worden toegekend. Niet valt in te zien waarom deze subsidie bij de omzetting van appellantes prestatiebeurs een rol zou moeten spelen, waar dat bij andere studenten niet het geval is. Nieuwe besluitvorming door de minister is niet nodig. De Raad zal bepalen dat de minister in aanvulling op de eerdere omzetting nog 12 maanden toegekende prestatiebeurs moet omzetten in een gift. In zoverre treedt deze uitspraak in de plaats van het bestreden besluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl