CRvB 1 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2490
Volgens appellant gaat het om de vraag of de laatstelijk genoten bezoldiging, zoals geformuleerd in artikel 39b, tweede lid, van het Bbp moet worden vastgesteld met inachtneming van de VIT, die hij in november 2018 heeft ontvangen. En die vraag moet naar de mening van appellant, anders dan de rechtbank heeft gedaan, bevestigend worden beantwoord. Appellant heeft gemeend voor dit standpunt steun te vinden in de verklaring van A die als [naam functie] werkzaam is bij de politie. De rechtbank heeft die verklaring volgens appellant ten onrechte genegeerd. De Raad is het niet eens met dit standpunt van appellant. Het geschil gaat om de vraag of de korpschef de hoogte van de aanvullende uitkering van appellant juist heeft vastgesteld. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de korpschef van een juist bedrag aan VIT is uitgegaan. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan de nabetaling van de VIT-aanspraak over meerdere periodes waarin appellant ten onrechte geen VIT heeft ontvangen, niet worden gezien als ‘laatstelijk genoten bezoldiging’ in de zin van artikel 39b, tweede lid, van het Bbp. De nabetalingen zijn niet de bedragen aan VIT waarop appellant in de betreffende periode feitelijk aanspraak had. Gelet hierop heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat de korpschef de nabetaling van de VIT-aanspraak aan appellant niet hoefde te betrekken bij de vaststelling van de VIT en daarmee bij de hoogte van de aan appellant bij besluit van 11 januari 2019 en 3 april 2019 toegekende aanvullende uitkering. Ten slotte overweegt de Raad dat uit de beschikbare verklaring van A niet volgt dat deze het standpunt van appellant over de term ‘laatstelijk genoten bezoldiging’ daadwerkelijk deelt. De verklaring geeft de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl