CRvB 30 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2486

Het geschil spitst zich allereerst toe op de vraag of appellante een pleegkind in de zin van de AKW heeft, dat niet tot het huishouden van een ander behoort als bedoeld in artikel 14 van de ANW. Vast staat dat op het moment van overlijden van haar echtgenoot de kleinkinderen van appellante bij haar ouders en zus op Curaçao woonden. Hieruit kan worden afgeleid dat de kleinkinderen ten tijde in geding niet tot het huishouden van appellante behoorde maar tot het huishouden van haar ouders. Aan de vraag of sprake is van een pleegkind of dat de kleinkinderen met een pleegkind moeten worden gelijkgesteld, wordt daarom niet toegekomen. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan de eis van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 5 van de ANW. Dat wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in de kern een herhaling van wat in beroep is aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden gemotiveerd besproken. Terecht komt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldig tot stand gekomen en op een deugdelijk gemotiveerde medische grondslag. In de FML is met alle bij appellante bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid in voldoende mate rekening gehouden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 13 februari 2019 en 28 juni 2019 toegelicht dat en waarom bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling voldoende rekening is gehouden met de klachten van appellante. Het in hoger beroep overgelegde journaal van de huisarts geeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. Voor zover daaruit al afgeleid zou kunnen worden dat appellante meer medische klachten heeft dan zijn vastgesteld door de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) en zij daarom meer dan wel verdergaand beperkt moet worden geacht, wordt vastgesteld dat het gaat om klachten die na de datum in geding zijn ontstaan. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen