CRvB 29 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2453
Het Uwv heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat appellante haar beroepsgrond, dat haar medische beperkingen niet juist zijn vastgesteld, tijdens de procedure in beroep heeft prijsgegeven. Appellante heeft deze beroepsgrond echter niet expliciet prijsgegeven en het stond haar vrij om deze beroepsgrond in hoger beroep weer aan te voeren. Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 mei 2019, de gewijzigde FML van 1 mei 2019 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 10 mei 2019 bevatten nieuwe feiten of omstandigheden. In de FML zijn aanvullende beperkingen opgenomen waarop de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vier nieuwe functies aan de schatting ten grondslag heeft gelegd. Nu appellante niet voor een nieuwe hoorzitting is uitgenodigd, heeft zij geen mogelijkheid gehad om haar standpunt over deze gegevens mondeling toe te lichten. Dit maakt dat het bestreden besluit is voorbereid in strijd met artikel 7:9 van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Niet aannemelijk is echter dat appellante door dit gebrek in haar belangen is geschaad. In beroep en in hoger beroep heeft zij alsnog voldoende gelegenheid gehad om haar standpunt over de gewijzigde FML en de geduide functies naar voren te brengen, zodat het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb zal worden gepasseerd. Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden tegen de medische grondslag van het bestreden besluit aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag is gelegd. De rechtbank heeft terecht geen aanknopingspunten gevonden om de medische beoordeling voor onjuist te houden. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid worden geheel onderschreven. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd die doen twijfelen aan de juistheid van de in de FML van 1 mei 2019 opgenomen beperkingen. De in hoger beroep door appellante beschreven verklaring van haar werkcoach van het Uwv geeft evenmin aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Uitgaande van de juistheid van de FML wordt de rechtbank ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. De overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, moet worden bevestigd. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep.
De uitspraak op rechtspraak.nl