CRvB 29 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2431
Hoger beroep Uwv. Anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft geoordeeld, moet eerst worden vastgesteld of het op grond van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aannemelijk is dat betrokkene op zijn 18e verjaardag beperkingen had als bedoeld in artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong voordat de vraag aan de orde komt of deze beperkingen later zijn toegenomen als bedoeld in het tweede lid. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Hieruit volgt dat het hoger beroep van het Uwv slaagt. Incidenteel hoger beroep betrokkene. Bij de besluiten van 29 juni 2012 en 17 maart 2016 heeft het Uwv afwijzend beslist op de aanvragen van betrokkene om een Wajong-uitkering, omdat betrokkene niet ziek was op zijn 17e en 18e verjaardag en hij op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 1 april 2014 weliswaar beperkingen had als gevolg van een ziekte, maar deze datum na zijn 18e verjaardag ligt en hij niet studeerde voorafgaand aan 1 april 2014. Deze besluiten zijn in rechte onaantastbaar geworden. Het Uwv heeft de aanvraag van 30 augustus 2019 terecht aangemerkt als een herhaalde aanvraag, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, nu ook deze aanvraag, net als de eerdere aanvragen, ziet op de toekenning van een Wajong-uitkering. Ter ondersteuning van zijn aanvraag van 30 augustus 2019 en tijdens de bezwaarprocedure heeft betrokkene stukken ingediend uit 1994, 2007, 2008, 2009, 2010, 2012, 2016, 2017, 2018 en 2019. De meeste van deze stukken waren al in de eerdere procedures overgelegd of hadden toen al overgelegd kunnen worden. Van een aantal stukken die nog niet eerder bekend waren, hebben de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) terecht geoordeeld dat hieruit niet blijkt dat de eerder vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 1 april 2014 in medisch opzicht onjuist is geweest. Daarvoor is van belang dat de medische informatie geen enkele aanwijzing bevat dat betrokkene rond zijn 18e verjaardag door een reumatische aandoening beperkingen ondervond. Het oordeel van de rechtbank dat, omdat bij het zusje van betrokkene dezelfde diagnose wel op haar 18e is gesteld, bij betrokkene bij nader inzien dan ook al de klachten op zijn 18e aan artritis psoriatica moeten worden toegeschreven, kan niet worden gevolgd. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er met juistheid op gewezen dat het enkele feit dat een aandoening erfelijk is daarvoor niet voldoende is. Dat is vastgesteld dat betrokkene net als zijn zusje lijdt aan een erfelijke aandoening, maakt dus niet dat sprake is van een nieuw feit of veranderde omstandigheid. Het Uwv mocht het verzoek van betrokkene dan ook afwijzen met verwijzing naar zijn besluiten van 29 juni 2012 en 17 maart 2016. In wat betrokkene heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Voor zover de aanvraag van betrokkene ook inhoudt dat voor de toekomst wordt teruggekomen van besluiten van 29 juni 2012 en 17 maart 2016 geeft wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat deze besluiten onjuist waren. Uit de overwegingen volgt dat het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit zal alsnog ongegrond worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl