CRvB 30 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2413

In hoger beroep is in geschil of appellant recht heeft op kinderbijslag voor zijn kinderen vanaf hun geboorte. Hoewel de door de rechtbank beoordeelde besluiten op een uiteenlopende juridische grondslag zijn gebaseerd, ziet het geschil in hoger beroep allereerst op de vraag of appellant verzekerd was voor de AKW. Voor het beantwoorden van de vraag of appellant verzekerd is geweest en of zijn kinderen in Nederland hebben gewoond zijn een aantal feiten en omstandigheden van belang. Op grond hiervan heeft de Svb de conclusie getrokken dat appellant onjuiste inlichtingen heeft verstrekt omdat hij vanaf zijn aanvraag van kinderbijslag in 2012 niets heeft doorgegeven over zijn verblijf en werkzaamheden buiten Nederland. Achteraf gezien, was hij volgens de Svb niet verzekerd voor de AKW. Dit heeft geleid tot de besluiten tot herziening en terugvordering van de kinderbijslag voor [naam 1], het opleggen van een boete en de weigering om voor [naam 2] kinderbijslag toe te kennen. Ter onderbouwing van zijn verzoek om herziening heeft appellant gesteld dat hij vanaf 2012 ten onrechte als particulier aangifte bij de Belastingdienst heeft gedaan, dat hij zelfstandige was en dat hij inkomsten uit zijn Nederlandse bedrijf heeft genoten. Wat er ook zij van de vraag of deze mededeling en de nieuwe aangiftes als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden aangemerkt, de Raad is met de Svb van oordeel dat deze informatie niet leidt tot de conclusie dat appellant als verzekerd voor de AKW moet worden aangemerkt en dat het besluit van 24 november 2016 daarom onmiskenbaar onjuist is. Het besluit van 24 november 2016 met betrekking tot de herziening van de kinderbijslag over de periode van vierde kwartaal 2012 tot en met eerste kwartaal 2016 staat in rechte vast en dient gelet op wat is overwogen niet te worden herzien. Nu op grond van artikel 24, eerste lid, van de AKW de Svb gehouden is hetgeen als gevolg van de herziening onverschuldigd is betaald terug te vorderen, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het besluit tot terugvordering stand houdt. De Raad is met de Svb en de rechtbank van oordeel dat is aangetoond dat appellant de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de AKW heeft geschonden door bij de aanvraag om kinderbijslag voor [naam 1] in juli 2012 niets door te geven over zijn verblijf en werkzaamheden buiten Nederland. Omdat appellant, na de aanvraag van kinderbijslag voor [naam 2], wel voldoende duidelijkheid heeft gegeven over zijn woon- en werksituatie, heeft de Svb in bestreden besluit 1 de hoogte van de boete naar beneden bijgesteld wegens verminderde verwijtbaarheid. Appellant heeft verder in hoger beroep geen gronden gericht tegen de hoogte van de boete. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de Svb een boete van € 633,95 passend en geboden is. Op de aanvraag van appellant om kinderbijslag van 31 december 2017 is vanaf het tweede kwartaal van 2018 kinderbijslag toegekend. In geschil is of terecht geen kinderbijslag is toegekend over het vierde kwartaal van 2016 tot en met het eerste kwartaal van 2018. Los van de vraag of appellant verzekerd is geweest voor de AKW, staat artikel 7b, eerste lid, van de AKW over die periode in de weg aan toekenning van kinderbijslag. De rechtbank heeft dit terecht overwogen. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken