CRvB 24 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2403

Het oordeel van de rechtbank dat de rolstoeltaxivoorziening een adequate voorziening is heeft appellante niet bestreden. De vraag is of de rolstoeltaxivoorziening de goedkoopste voorziening is. Anders dan appellante meent, valt zij niet onder het bereik van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet Suwi, nu appellante op het moment van de aanvraag reeds 18 jaar was. Het Uwv heeft voor een situatie als hier aan de orde inzichtelijk gemotiveerd dat het behalen van een rijbewijs onlosmakelijk verbonden is aan het verstrekken van een aangepaste bruikleenauto. Daarom moet op het moment van de aanvraag van een vergoeding voor de kosten van het halen van een rijbewijs ook rekening worden gehouden met de kosten die gepaard gaan met de aanschaf of lease van een aangepaste auto. Evenals de rechtbank heeft geoordeeld heeft het Uwv dan ook afdoende gemotiveerd dat de taxikostenvergoeding naast een adequate ook de goedkoopste voorziening is. Het Uwv heeft daarbij geen rekening hoeven te houden met de door appellante geopperde mogelijkheid dat zij op grond van artikel 9 van de Uitvoeringsregeling een toegekende bruikleenauto na afloop van de leaseperiode zou kunnen overnemen. Dit betreft een onzekere factor die bij de berekening van de kosten van de voorziening buiten beschouwing mag blijven. De door appellante genoemde zaak, waarin het Uwv wel een vergoeding voor een aangepaste auto heeft toegekend, kan niet tot een ander oordeel leiden. Uit de overwegingen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken