CRvB 23 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2374
De Svb heeft met de plaatsing van bestreden besluit 1 in de Berichtenbox van appellant dat besluit op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Appellant is niet eerder dan door kennisname van bestreden besluit 1 in zijn Berichtenbox op 2 juni 2018 op de hoogte geraakt van het bestaan en de inhoud daarvan. Vervolgens heeft appellant diezelfde dag beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Uitgangspunt is dan ook dat appellant ontvankelijk is in dat beroep. De Raad ziet echter aanleiding om af te wijken van dat uitgangspunt. Dat appellant geruime tijd zijn Berichtenbox niet heeft gecheckt, komt onder deze omstandigheden voor zijn rekening en risico. Er is dus geen aanleiding de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Ook ten aanzien van bestreden besluit 2 moet in de eerste plaats de vraag worden beantwoord of dit besluit door plaatsing in de Berichtenbox van appellant op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Naar het oordeel van de Raad is dit niet het geval. De stelling van de Svb dat appellant alleen door zelf in zijn Berichtenbox de Svb ‘uit te zetten’ kenbaar kon maken voor de Svb niet langer via elektronische weg bereikbaar te zijn, wordt niet gevolgd. Nu bestreden besluit 2 niet op de juiste wijze bekend is gemaakt, is de beroepstermijn niet gaan lopen op 7 juni 2018, maar op 23 juli 2018, toen appellant kennis nam van dit besluit. Appellant was dus op 23 juli 2018 niet te laat met het instellen van het beroep. Uit de overwegingen volgt dat de aangevallen uitspraak vernietigd moet worden voor zover deze betrekking heeft op bestreden besluit 2 (zaak AMS 18/4679). De Raad zal deze zaak terugverwijzen naar de rechtbank voor een inhoudelijke behandeling. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover deze betrekking heeft op bestreden besluit 1 (zaak AMS 18/3778). Het hoger beroep zal niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover dit betrekking heeft op het beroep van 24 december 2018 (zaak AMS 18/7602). Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Wel bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:114, tweede lid, van de Awb te bepalen dat de griffier van de Raad het door appellant betaalde griffierecht in hoger beroep van € 128,- vergoedt.
De uitspraak op rechtspraak.nl