CRvB 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2311

Ingezetene. Periode voor 1 juli 1998. Niet in geschil is dat appellant sinds 25 februari 1996 in Nederland verblijft. De Raad onderschrijft echter niet de stelling van appellant dat hij vanaf maart of april 1998 als ingezetene moet worden aangemerkt. Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, is verzekerd degene die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en geen ingezetene is, maar ter zake van in Nederland (…) in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Dat appellant al voor 1 juli 1998 op grond van werkzaamheden in [naam bedrijf] verzekerd is geweest voor de AOW, heeft hij niet met verifieerbare stukken kunnen onderbouwen. Periode vanaf 1 juli 1998. Koppelingswet. De grond dat de rechtbank het beroep van appellant op het associatierecht EEG/Turkije niet wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing had mogen laten, slaagt niet. Inhoudelijk leidt het associatierecht EEG/Turkije er niet toe dat de Koppelingswetgeving niet aan appellant mag worden tegengeworpen. Conclusie. Gelet op wat is overwogen moet de conclusie zijn appellant voorafgaand aan 1 november 2013 (afgezien van de in 4.1 genoemde periode in 1998) niet verzekerd is geweest voor de AOW. Uit de overwegingen volgt dat de rechtbank terecht het beroep ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak zal dan ook bevestigd worden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken