CRvB 8 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2239
De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat appellante duidelijker tot uitdrukking heeft moeten brengen dat het onder 1.3 vermelde verzoek een verzoek tot herziening van een eerder genomen besluit is. Dit betekent dat de brief van 18 juli 2019 als een afwijzing van dit verzoek is aan te merken en een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het voorgaande heeft de rechtbank niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Nu CAK in het verweerschrift inhoudelijk heeft gereageerd op de bezwaren van appellante, is de Raad voldoende voorgelicht zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe als volgt. Het betoog van appellante dat CAK de hoogte van de eigen bijdrage van 2018 ten onrechte heeft gebaseerd op een schatting van het inkomen over 2016, is niet juist. CAK heeft namelijk de hoogte van de eigen bijdrage conform de vermelde bepalingen vastgesteld op € 23,- per maand. Aangezien appellante slechts over de periode van 1 januari t/m 15 januari 2018 Wlz-zorg heeft ontvangen, heeft CAK alleen voor die periode een eigen bijdrage van € 11,34 in rekening gebracht. Uit de bepalingen volgt dat het bezwaar tegen het besluit van 18 juli 2019 ongegrond is.
De uitspraak op rechtspraak.nl