CRvB 26 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2187

Appellante heeft ter zitting haar grond dat de bevoegdheid van het Uwv tot terugvordering is verjaard, ingetrokken. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat het beroep op rechtsverwerking niet slaagt. Er kan sprake zijn van rechtsverwerking indien er ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan waaraan het gerechtvaardigde vertrouwen kon worden ontleend dat van herziening en terugvordering zou worden afgezien. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van het Uwv toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit appellante in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat van herziening of terugvordering zou worden afgezien. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het Uwv op grond van artikel 2:59 van de Wajong verplicht is om tot terugvordering van onverschuldigde betalingen over te gaan. Zoals de rechtbank eveneens terecht heeft overwogen, is dit alleen anders indien sprake is van een dringende reden. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat de terugvordering voor appellante onaanvaardbare gevolgen heeft. Het is begrijpelijk dat het appellante zwaar valt dat zij tot terugbetaling is gehouden, terwijl haar geen verwijt valt te maken en zij heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenplicht. Dat het Uwv pas (zeer) laat de uitkering heeft gewijzigd nadat appellante tijdig heeft doorgegeven dat zij ging studeren, waardoor aan appellante teveel uitkering is uitbetaald, vormt echter geen dringende reden om van terugvordering af te zien. De overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen