CRvB 25 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2170
Aanvraag op grond van de Tijdelijke regeling compensatie zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten bevallen in het tijdvak 7 mei 2005 tot 4 juni 2008 (Tijdelijke Regeling) terecht afgewezen. Met de Tijdelijke Regeling is voorzien in een compensatieregeling. Gelet op het feit dat is ingestoken op een kortdurende, snel en simpel uit te voeren regeling en dat in de media in ruime mate aandacht is besteed aan de Tijdelijke Regeling en de manier waarop en termijn waarbinnen compensatie moest worden aangevraagd, acht de Raad de keuze voor een aanvraagtermijn van ongeveer viereneenhalve maand niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De slotsom is dat er geen grond is om te oordelen dat de regelgever niet in redelijkheid tot de aanvraagtermijn van 15 mei 2018 tot en met 30 september 2018 heeft kunnen besluiten. Er bestaat geen aanleiding om artikel 7, tweede lid, van de Tijdelijke Regeling als zodanig verbindende kracht te ontzeggen. De Tijdelijke Regeling biedt een voldoende deugdelijke grondslag voor het bestreden besluit. Verder kleven aan de aanvraagprocedure geen gebreken op grond waarvan niettemin moet worden geoordeeld dat de aanvraagtermijn aan appellante niet zou mogen worden tegengeworpen.
De uitspraak op rechtspraak.nl