CRvB 26 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2137

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, zijn de artikelen 3:8 en 3:8a van de Wajong in de situatie van appellante niet van toepassing. Appellante ontving namelijk op basis van artikel 2:40 van de Wajong inkomensondersteuning, zodat op haar hoofdstuk 2 van de Wajong van toepassing is. Wat appellante heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden volledig en voldoende gemotiveerd besproken. De Raad onderschrijft de overwegingen en het oordeel van de rechtbank zoals weergegeven. In hoger beroep heeft appellante geen (medische) informatie overgelegd die haar standpunt onderbouwt dat zij geen taak kan verrichten en niet beschikt over basale werknemersvaardigheden, niet één uur aaneengesloten zou kunnen werken en geen vier uur per dag belastbaar is. De gedingstukken geven verder geen aanleiding voor het oordeel dat appellante niet beschikt over basale werknemersvaardigheden. De rechtbank wordt dan ook gevolgd in haar oordeel dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen dat appellante ondanks haar beperkingen arbeidsvermogen heeft. Gelet hierop is de Wajong-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2018 terecht verlaagd naar 70% van het minimumloon. De overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met verbetering van gronden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken