CRvB 20 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:206

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval deze situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Tussen partijen is in geschil de vraag of de rechtbank terecht het verzoek tot vergoeding van schade heeft afgewezen. De rechtbank heeft dit verzoek terecht afgewezen. Hiertoe is van belang dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat over deze jaren onrechtmatige besluiten zijn genomen. Daar komt bij dat verzoeker evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van deze besluiten over deze jaren ten onrechte en onverschuldigd een buitenlandbijdrage heeft betaald. De enkele stelling van verzoeker is hiervoor onvoldoende. Bovendien is op voorhand onaannemelijk dat verzoeker de gestelde schade in deze omvang heeft geleden. De aangevallen uitspraak wordt bevestigt en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen