CRvB 5 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1997
De rechtbank heeft ten onrechte nagelaten om een proceskostenveroordeling uit te spreken. De grond over de weigering van de rechtbank om een proceskostenveroordeling uit te spreken is terecht voorgedragen, omdat het college appellante op het punt van de hoogte van de kosten die appellante in bezwaar heeft moeten maken pas na het instellen van beroep tegemoet is gekomen. De rechtbank had daarin aanleiding moeten zien gebruik te maken van de in artikel 8:75 van de Awb neergelegde bevoegdheid door het college te veroordelen in de kosten die appellante redelijkerwijs in beroep heeft moeten maken. De rechtbank had daarnaast het college op grond van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb moeten opdragen het door appellante in beroep betaalde griffierecht te vergoeden. De Raad ziet aanleiding om in de voorliggende omstandigheden, waarbij appellante op een punt van ondergeschikt belang in het gelijk is gesteld, met toepassing van artikel 2, tweede lid, van het Bpb het bedrag van de proceskosten te matigen.
De uitspraak op rechtspraak.nl