CRvB 3 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1934

Afgewezen verzoek om kwijtschelding restantvordering. Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn. Tweede beslissing op bezwaar na uitspraak rechtbank. Verlenging redelijke termijn met vier maanden in verband met uitgestelde zitting op grond van Covid-19. Omdat de vordering voor 1 januari 2013 is ontstaan is de terugvorderingsgrondslag artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB en daarom heeft het college aan de afwijzing van het kwijtscheldingsverzoek ten onrechte artikel 58, achtste lid, van de PW ten grondslag gelegd. Dit gebrek wordt met toepassing van art. 6:22 van de Awb gepasseerd. De bevoegdheid van het college om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien moet worden getoetst aan de Richtlijn verhaal, terug-en invordering 2010 (Richtlijn). Toepassing van de Richtlijn leidt niet tot kwijtschelding en niet tot onbillijkheden van overwegende aard. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van schrijnende en uitzonderlijke situatie die het gevolg is van de terugvordering. Dat de terugvordering niet berust op schending van de inlichtingenverplichting betekent niet dat de hardheidsclausule had moeten worden toegepast. Appellant heeft nooit vrijwillig afgelost op de vordering en het college heeft beslag moeten leggen omdat er bewust voor heeft gekozen de destijds ontvangen erfenis aan andere zaken te besteden. Het college heeft dan ook in redelijkheid kunnen weigeren om de restantvordering kwijt te schelden. De zitting op 30 juni 2020 kon niet doorgaan in verband met Covid-19 zodat de redelijke termijn met vier maanden wordt verlengd. De overschrijding van de redelijke termijn is zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase overschreden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken