CRvB 3 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1919
Proceskostenveroordeling. Duur toegestaan verblijf in buitenland voor IOAW gerechtigde. Geen gelijkstelling met pensioengerechtigde met bijstand. Geen definitieve ontheffing arbeidsverplichtingen. In het hangende beroep gewijzigde bestreden besluit had de rechtbank aanleiding moeten zien voor kostenvergoeding in beroep. Om aanspraak te maken op het door college gevoerde beleid voor de invulling van tijdelijk verblijf in de zin van de IOAW, kan aansluiting worden gezocht bij artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB, nu PW, omdat het bij deze wetten allemaal gaat om uitwerking van het territorialiteitsbeginsel. Appellant is weliswaar ontheven van de aan de IOAW verbonden arbeidsverplichtingen, maar dit geldt voor een tijdelijke periode en bovendien is appellant niet van alle arbeidsverplichtingen ontheven. Appellant kon er niet vanuit gaan dat op hem definitief geen arbeidsverplichtingen van toepassing zijn, zoals bij een pensioengerechtigde die bijstand ontvangt, wel het geval is. Appellant kan dan ook niet gelijkgesteld worden met deze pensioengerechtigde die, anders dan appellant, wel dertien weken in het buitenland mag verblijven.
De uitspraak op rechtspraak.nl