CRvB 29 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1870
Voor zover appellant klaagt dat de rechtbank niet op al zijn beroepsgronden is ingegaan, volgt de Raad dit niet. De meest verstrekkende beroepsgrond gaat in tegen het onder 5.4 beschreven criterium. Deze beroepsgrond slaagt niet. De Raad volgt appellant niet in zijn visie over de verdeling van de bewijslast. Dat de minister, zoals appellant stelt, nalatig is geweest bij het nakomen van zijn verplichtingen op het terrein van de arbeidsomstandighedenwetgeving biedt, wat daarvan ook zij, op zichzelf beschouwd te weinig steun voor appellants opvatting dat zijn werkomstandigheden buitensporig waren. De bedrijfsarts heeft de ziekte van appellant als vermoedelijke beroepsziekte aangemeld bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten. De Raad hecht hier geen doorslaggevende betekenis aan, alleen al omdat het voor de bedrijfsarts blijkbaar om een vermoeden gaat. Hoewel er uit de stukken indicaties zijn te vinden voor de conclusie dat de werkomstandigheden op de [naam afdeling] op een aantal onderdelen te wensen overlieten, kan niet worden gezegd dat deze in een ambtelijke verhouding buitensporig waren. De beroepsgrond faalt. De conclusie is dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn ziekte in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan hem opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht als bedoeld in artikel 35 van het ARAR. Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl