CRvB 22 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1840
Voor zover betrokkene heeft bedoeld dat hij in zoverre geen eerlijk proces heeft gehad in de zin van artikel 6 van het EVRM, moet worden geoordeeld dat met de nadere zitting – waaraan betrokkene en de Svb met een goede geluidsverbinding hebben deelgenomen en zij hun standpunten naar voren hebben gebracht en op elkaars standpunten hebben gereageerd – is voldaan aan de in artikel 6 van het EVRM hierover besloten waarborgen. De Raad zal zich in het hiernavolgende beperken tot de kern van de door betrokkene naar voren gebrachte argumenten. De Raad volgt betrokkene niet in zijn betoog dat het Handvest op deze situatie van toepassing is. Voor personen die een bepaalde uitkering hadden die afliep bij de 65-jarige leeftijd en die met de verhoging van de AOW-leeftijd geen rekening konden houden, is een overgangsregeling getroffen. Betrokkene behoorde als arbeidsongeschikte met een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering ook tot de doelgroep van de OBR. Dat hij door zijn inkomen en vermogen echter geen recht had op een overbruggingsuitkering, maakt niet dat sprake is van een overduidelijke onevenredigheid. De Raad concludeert dat geen sprake is van een door artikel 14 van het EVRM of artikel 1 van het Twaalfde Protocol verboden ongelijke behandeling. De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraken van de Raad van 18 juli 2016, waarin de invoering van artikel 7a van de AOW is getoetst aan artikel 1 van het Eerste Protocol. Betrokkenen houden dus recht op een volledig ouderdomspensioen gebaseerd op 50 verzekerde jaren. Dit is bij betrokkene ook het geval. Van een ontneming van eigendom is daarom geen sprake meer. De Raad heeft in die uitspraken gemotiveerd waarom deze inmenging in het algemeen proportioneel en gerechtvaardigd is te achten. De Raad ziet in wat betrokkene heeft betoogd geen reden om hier nu anders over te denken. Naar aanleiding van voortschrijdend inzicht en de onder 3.1 genoemde rechtspraak van de Raad heeft de Svb zijn gedragslijn gewijzigd. Een dergelijk onderzoek is bij betrokkene (nog) niet volledig verricht, onder meer doordat het voor betrokkene nog niet duidelijk is geweest op welk moment hij volledig inzicht moest geven in zijn financiële situatie. De Svb moet alsnog nader onderzoeken of bij betrokkene door de verhoging van de AOW-leeftijd sprake is van een onevenredig zware last. Betrokkene dient hierbij alle gegevens aan te dragen die hij relevant vindt voor dit onderzoek. Betrokkene dient tijdig, concreet en op een eenvoudig verifieerbare wijze volledige openheid van zaken te geven. Indien betrokkene dit niet op een toereikende wijze doet, komt dit voor zijn rekening en risico. Uit het voorgaande volgt dat de Svb tot op heden onvoldoende heeft gemotiveerd dat betrokkene door toepassing van artikel 7a van de AOW geen onevenredig zware last heeft te dragen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De Raad zal daarom de opdracht van de rechtbank aan de Svb om binnen dertien weken nadat op het hoger beroep is beslist een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen met inachtneming van de uitspraak, in stand laten. De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak. De redelijke termijn is met bijna twee maanden overschreden door de bestuursrechter.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CRvB 14 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:692
- CRvB 3 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:143
- CRvB 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2502
- CRvB 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2609
- CRvB 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2613
- CRvB 5 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:435
- EHRM 14 mei 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911
- CRvB 26 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6362
- CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009
- HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8572
- HR 19 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5353
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2013:105