CRvB 20 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1818

Met het veranderde standpunt ter zitting over de rol van [BV 2] heeft appellant geen duidelijkheid verschaft over de door hem eerder gestelde arbeidsrelatie met [BV 1] . De aanvraag om de WW-uitkering is door appellant gedaan onder verwijzing naar zijn relatie met [werkgever] . De gegevens op de aanvraag hebben betrekking op die relatie. Zoals het Uwv in het bestreden besluit heeft vastgesteld, is onweersproken dat appellant directeurgrootaandeelhouder was van [werkgever] in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW. Dit betekent dat appellant niet was verzekerd voor de WW. De door appellant – summier – aangeduide regelingen in het belastingrecht leiden niet tot een andere uitleg van dat dwingend geformuleerde artikel. Voor zover appellant ter zitting nog heeft willen stellen dat hij ten tijde van belang geen directeur-grootaandeelhouder was, is daarvoor in het dossier geen aanknopingspunt te vinden. Voor zover appellant met het beroep op de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel doelt op het feit dat hem al in november 2013 een WW-uitkering werd toegekend en hij gezien het tijdsverloop erop mocht vertrouwen dat hij daar recht op had, slaagt dat niet. Verder is het Uwv pas door eigen onderzoek, waaraan appellant slechts zeer terughoudend medewerking heeft verleend, ervan op de hoogte gekomen dat appellant niet verzekerd was. Voorzover appellant nog heeft betoogd dat het primaire besluit onvoldoende is gemotiveerd, wordt overwogen dat – wat daar ook van zij – aan het bestreden besluit een uitvoerige motivering ten grondslag ligt. Van een dringende reden is niet gebleken. Ter zitting heeft appellant gewezen op belastende persoonlijke omstandigheden, maar daarvan is niet gebleken dat die zich verzetten tegen de terugvordering. Ter zitting is het verzoek om schadevergoeding voorwaardelijk geformuleerd. Nu het hoger beroep niet slaagt, is er geen aanleiding om hier verder op in te gaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl