CRvB 21 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1796
Omdat het toetsingsinkomen van appellant over 2018 ten tijde van de besluitvorming nog niet bekend was, moest de minister, gelet op artikel 10a.8, achtste lid, van de Wsf 2000 daarvoor in de plaats stellen een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen benadert. Met de verstrekte gegevens heeft appellant noch in de aanvraagfase noch in bezwaar aannemelijk gemaakt dat het te verwachten verzamelinkomen over 2018 ten minste 15% 1ager is dan in 2016, zodat de aanvraag om peiljaarverlegging door de minister terecht is afgewezen. In beroep heeft appellant met zijn aangifte inkomstenbelasting 2018 ook evenmin aannemelijk gemaakt dat het te verwachten verzamelinkomen 2018 ten minste 15% lager is dan in 2016. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl