CRvB 21 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1792

De Raad stelt voorop dat appellante, gelet op het bepaalde in artikel 9.2, derde lid, van de Wsf 2000, haar adreswijziging bij haar verhuizing naar België alsmede eventuele latere adreswijzigingen in België aan de minister had moeten doorgeven. De minister heeft van appellante geen adreswijziging(en) ontvangen en appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij deze wel heeft doorgegeven. De besluiten waarmee appellante telkens op de hoogte is gebracht van haar studieschuld en de daaraan verbonden betalingsverplichtingen zijn, bezien tegen de onder 4.1 geschetste achtergrond, met de verzending aan het laatst bekende adres van appellante in Nederland op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Zoals de minister in het bestreden besluit heeft vermeld is draagkrachtmeting slechts mogelijk voor termijnen die nog niet vervallen zijn. Ten tijde hier van belang gold dat draagkrachtmeting zonder een daartoe strekkend (tijdig ingediend) verzoek niet mogelijk is. Dat betekent dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid van draagkrachtmeting in de situatie van appellante. De minister heeft het verzoek dan ook kunnen afwijzen. Voor toepassing van de hardheidsclausule hoefde de minister geen aanleiding te zien. Dat door het niet-nakomen van de verplichting haar adresgegevens door te geven een betalingsverplichting is ontstaan, die appellante anders – mogelijk – niet of tot een lager bedrag zou hebben gehad, betekent niet dat die betalingsverplichting als disproportioneel moet worden gekwalificeerd. In dit verband is van belang dat appellante niet uit eigen beweging heeft geïnformeerd naar haar betalingsverplichting terwijl zij wist of had kunnen weten dat zij die had. Verder is van betekenis dat een deel van de vordering is verjaard en de minister een traject van persoonsgericht innen hanteert. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken