CRvB 15 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1775

Appellanten menen dat het overgangsrecht van artikel 171 van het Bard leidt tot strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij hebben er in dat verband op gewezen dat hun functies vergelijkbaar zijn met (en naar zij stellen in sommige gevallen zelfs zwaarder zijn dan) de [functies] waarvoor het genoemde overgangsrecht geldt. Appellanten keren zich daarmee in feite tegen de werking van het bepaalde in het voormalige artikel 119 van het Bard. Deze bepaling is met ingang van 1 januari 2007 vervallen. De rechtspositie van de [personeel met functie A] bij de Koninklijke Landmacht is daarmee al sinds die datum gelijkgetrokken met die van de in het voormalige artikel 119 van het Bard genoemde functionarissen. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is geen sprake. Dat er ten behoeve van laatstgenoemde groep overgangsrecht is gecreëerd kan dat niet anders maken. Uitsluitend vanwege bij de instroom gewekte verwachtingen, en dus niet omdat thans nog op enigerlei wijze onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende [functies], is voor deze groep een overgangsregeling getroffen in artikel 171a van het Bard. De functies die appellanten hebben vervuld zijn nooit aangemerkt als een FLO-functie in de zin van artikel 119 van het Bard en vallen uit de aard der zaak dus ook niet onder het daarop betrekking hebbende overgangsrecht. Het voorgaande wordt niet anders door het gegeven dat de beantwoording van de Minister van Defensie van vragen aan de vaste commissie van Defensie (Kamerstukken II 2016-2017, 34 550 X, nr. 15, blz. 2) een kennelijke schrijffout of onduidelijkheid bevat. De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraken zullen, voor zover nodig met verbetering van gronden, worden bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen