CRvB 8 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1670

De Raad is van oordeel dat het betoog van appellante niet slaagt. Door de toekenning van de IVA-uitkering heeft appellante vanaf 21 december 2016 niet langer recht op de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. WWplus heeft namens het college een bruto bedrag van € 5.787,03 van appellante teruggevorderd, berekend over de periode januari 2017 tot en met december 2017. Over de periode januari 2018 heeft WWplus namens het college een netto bedrag van € 458,56 teruggevorderd. Het totaalbedrag van € 6.245,59 is teruggevorderd in 2018, zoals blijkt uit de uitkeringsspecificatie van februari 2018. Ten tijde van de terugvordering was het jaar 2017 in fiscale zin afgesloten. WWplus was dan ook namens het college gerechtigd het onverschuldigd betaalde bedrag aan bovenwettelijke werkloosheidsuitkering over het jaar 2017 bruto terug te vorderen van appellante, aangezien verrekening tussen het bestuursorgaan als inhoudingsplichtige voor de toepassing van de Wet op de Loonbelasting 1964 en de Belastingdienst op het moment van terugvordering niet meer mogelijk was. In dit kader wijst de Raad appellante op de mogelijkheid om bij de Belastingdienst een teruggave te vragen van eventueel te veel ingehouden loonheffing. Er is geen andere reden aangevoerd die aanleiding geeft tot matiging van de terugvordering. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken