CRvB 30 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1636
Er is geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de beroepsgronden van appellante tegen het bestreden besluit uitvoerig besproken en geoordeeld dat die gronden niet slagen. De overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten aanzien van de herziening en terugvordering van de WAO-uitkering en ten aanzien van de boete worden onderschreven. Uit de beschikbare gegevens komt naar voren dat appellante sinds 1 januari 2006 naast haar WAO-uitkering inkomsten heeft genoten uit de vennootschappen [X] B.V., [Y] B.V. en [Z] B.V. en dat deze inkomsten bij de Belastingdienst zijn opgegeven als inkomsten uit arbeid. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen wordt bij het beantwoorden van de vraag of de inkomsten van appellante als inkomsten uit arbeid moeten worden aangemerkt in beginsel doorslaggevende betekenis toegekend aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte en door de fiscus gehonoreerde keuze. Deze hoofdregel lijdt slechts uitzondering indien aantoonbaar sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de aan de fiscus gedane opgave niet tot uitgangspunt kan worden genomen (zie de uitspraak van de Raad van 31 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1883). Het is aan appellante om aan te tonen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op eerder genoemde hoofdregel rechtvaardigen. Daarin is appellante niet geslaagd. Dat sprake is geweest van een administratieve vergissing, zoals appellante heeft gesteld, is op geen enkele wijze gebleken. De door haar in beroep ingebrachte verklaringen bieden hiervoor geen steun. Verder is gesteld noch gebleken dat appellante op enig moment heeft getracht de fiscale situatie bij de Belastingdienst te corrigeren. Dat de arbeidsinbreng van appellante een beperkte omvang zou hebben gehad, leidt niet tot een ander oordeel omdat ook een beperkte arbeidsomvang geen bijzondere omstandigheid oplevert (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007: BA3015). Ook van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan de fiscale keuze bij de toepassing van artikel 44 van de WAO niet in redelijkheid tot uitgangspunt had kunnen worden genomen, is niet gebleken. Het niet onderbouwde standpunt van appellante dat het Uwv een onderzoeksplicht heeft ten aanzien van de aard van de inkomsten wordt niet gevolgd. Het standpunt van appellante dat het Uwv zodanig lang heeft gewacht met het herzienings- en terugvorderingsbesluit dat dat besluit in strijd komt met het rechtszekerheidsbeginsel wordt evenmin gevolgd. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl