CRvB 7 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1634
Vooropgesteld wordt dat uit de tekst noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wajong valt af te leiden dat voor een positieve beantwoording van de vraag of de participatiemogelijkheden zich kunnen ontwikkelen vast moet staan dat appellant in de toekomst in staat zal zijn arbeidsvermogen te genereren. Dat de deskundige geen eenduidige uitspraak heeft kunnen doen over de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen, leidt er dan ook niet toe dat moet worden uitgegaan van een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet konden ontwikkelen. Temeer nu de deskundige expliciet stelt dat een goede (revalidatie)behandeling tot verbetering zou kunnen leiden. De door appellant aangevoerde grond dat niet gebleken is hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich zouden kunnen ontwikkelen mede gezien zijn psychische beperkingen, slaagt ook niet. Aldus is inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd dat in redelijkheid verwacht mag worden dat met adequate behandeling de klachten kunnen verminderen waardoor de belastbaarheid van appellant kan toenemen en hij vaardigheden kan ontwikkelen. De door appellant in hoger beroep overgelegde (medische) gegevens leiden niet tot een ander oordeel. De overwegingen leiden tot de slotsom dat de rechtbank terecht het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige heeft gevolgd en terecht heeft geoordeeld dat voldoende is onderbouwd dat bij appellant geen sprake is van een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl