CRvB 18 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1484

Er is naar het oordeel van de Raad sprake van een onredelijk late feitelijke verstrekking van het kerstcadeau. Het ingediende beroep was daarom op dit punt terecht ingediend. De Raad is het echter niet eens met het standpunt van appellante dat haar beroep gegrond verklaard had moeten worden omdat de minister een dwangsom was verschuldigd. De schakelbepaling van artikel 6:1 van de Awb verklaart alleen de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb van overeenkomstige toepassing op feitelijke handelingen waartegen bezwaar of beroep openstaan. De bepalingen over het verbeuren van een dwangsom bij niet tijdig beslissen staan in hoofdstuk 4, paragraaf 4.1.3.2, van de Awb, en zijn dus niet van overeenkomstige toepassing verklaard op deze rechtens relevante feitelijke handeling. Dit betekent dat de minister geen dwangsom was verschuldigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken