CRvB 18 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1444
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de aanvraag van appellant beoordeeld moet worden aan de hand van de bepalingen van de AAW zoals die golden tijdens de periode van 1 januari 1990 tot 1 april 1996. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Dat wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Dit betekent dat ook in hoger beroep geen aanleiding is om een deskundige te benoemen. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. De redelijke termijn is met bijna twee maanden overschreden en geheel aan de bestuursrechter toe te schrijven. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de kosten die verband houden met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl