CRvB 15 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1424

De Raad moet eerst ambtshalve de vraag beantwoorden of de rechtbank de brief van 14 februari 2018 terecht met een besluit heeft gelijkgesteld door hem als bestuurlijk rechtsoordeel aan te merken. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit de uitspraak van de Raad van 5 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3715 vloeit reeds voort dat de brief van 14 februari 2018 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet zich vervolgens op grond van wat appellante heeft aangevoerd geplaatst voor de vraag of het zorgkantoor in dit geval bevoegd was de goedkeuring van de zorgovereenkomst te onthouden. De Raad beantwoordt ook deze vraag ontkennend. Het voorgaande heeft de rechtbank niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen, omdat het in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Omdat het zorgkantoor de goedkeuring niet heeft kunnen onthouden om de reden zoals hierboven is vermeld, zal de Raad zelf in de zaak voorzien en het besluit van 14 februari 2018 herroepen. Aanleiding bestaat om het zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten van appellante.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken