CRvB 3 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1334
Herplaatsingskandidaat. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door appellant naar voren gebrachte omstandigheden niet leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en dat evenmin sprake is van een bijzondere situatie in de zin van de genoemde bepaling. Hij onderschrijft de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Naar aanleiding van wat in hoger beroep is aangevoerd volgt de Raad appellant niet. De plaatsing van appellant heeft plaatsgevonden volgens de van toepassing zijnde regelgeving. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 21 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1851 en in het bijzonder naar de aangewezen volgorde van plaatsing ingevolge artikel 8, derde lid, van de Regeling landelijk sociaal statuut politie. Ook heeft de korpschef voldoende gemotiveerd waarom appellant niet, ook als hij bij de belangstellingsregistratie deze voorkeur zou hebben opgegeven, in aanmerking was gekomen voor plaatsing in de functie van [functie 1], salarisschaal 10. Dat appellant geplaatst is op een MBO-functie zonder executieve status leidt niet tot onbillijkheden van overwegende aard of een bijzondere situatie dat toepassing van de hardheidsclausule aan de orde is. De Raad wijst er daarbij op dat appellant horizontaal is geplaatst in een functie met een gelijke salarisschaal en hij zijn eigen werkzaamheden kon blijven verrichten. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak, voor zover het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, moet worden bevestigd. De procedure bij de Raad heeft één jaar en twee maanden geduurd, waarmee de Raad de hem toekomende behandelingsduur van twee jaar niet heeft overschreden. Dit betekent dat de Raad de redelijke termijn niet heeft geschonden en het verzoek van appellant moet worden afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl