CRvB 3 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1333

Bestreden besluit II wordt hierna, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, van rechtswege in de beoordeling van de Raad betrokken. Met dit besluit is bestreden besluit I ingetrokken. Niet gebleken is dat betrokkene nog belang heeft bij beoordeling van bestreden besluit I en van de aangevallen uitspraak. Dit betekent dat zijn incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Uit de gedingstukken en wat betrokkene ter zitting heeft verklaard leidt de Raad af dat betrokkene en mevrouw [naam X] in het te beoordelen tijdvak (juli 2014 tot en met juni 2017) een gezamenlijke huishouding voerden zoals omschreven. Betrokkene en mevrouw [naam X] hebben immers hun hoofdverblijf in dezelfde woning en tussen hen beiden is sprake van financiële verstrengeling en van wederzijdse zorg en niet van een commerciële relatie. Of er tussen betrokkene en mevrouw [naam X] al dan niet sprake is van een affectieve relatie maakt in dit verband niet uit. De stelling van betrokkene dat elders in de Europese Unie door overheidsorganen bij de uitvoering van socialezekerheidsregelingen anders wordt aangekeken tegen woongemeenschappen dan in Nederland, slaagt niet. De Raad verwerpt het beroep van betrokkene op artikel 8 van het EVRM omdat betrokkene onvoldoende heeft beargumenteerd waarom bestreden besluit II zou hebben geleid tot een ongeoorloofde inmenging in het recht van betrokkene op eerbiediging van zijn privé-, familie- en gezinsleven. Uit het voorgaande volgt dat de Svb aan betrokkene een te hoog AOW-pensioen heeft toegekend. Betrokkene had van meet af aan recht op een AOW-pensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde en niet op een AOW-pensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde. De Raad hoeft niet de vraag te beantwoorden of betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen. Betrokkene heeft namelijk, gelet op wat is overwogen, redelijkerwijs kunnen begrijpen dat zijn AOW-pensioen vanaf [geboortedatum 1] 2011 te hoog was vastgesteld. Betrokkene heeft ook in bezwaar aangegeven dat hij deze fout direct heeft onderkend. Dat betrokkene dit destijds heeft gemeld bij de Svb, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. In het geval van betrokkene heeft de weergegeven gedragslijn ertoe geleid dat in bestreden besluit II de terugwerkende kracht van de herziening is gematigd. Naar het oordeel van de Raad heeft de Svb met deze matiging zijn vaste gedragslijn, neerkomend op toepassing van het “oude” 3:4-beleid, consistent toegepast door voldoende rekening te houden met alle gebleken omstandigheden van het geval. Dit geldt temeer nu de Svb in bestreden besluit II te kennen gegeven heeft dat de teveelbetaling over juli 2017 tot en met november 2017 definitief niet wordt herzien en teruggevorderd. De door betrokkene aangevoerde argumenten duiden niet op dringende redenen op grond waarvan de Svb de herziening meer had moeten matigen dan hij in bestreden besluit II heeft gedaan. Ook van dringende redenen om van terugvordering van het resterende teveel betaalde bedrag af te zien, is niet gebleken. Bestreden besluit II houdt stand. Het beroep tegen bestreden besluit II wordt daarom ongegrond verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken