CRvB 25 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1324

Het namens appellant in hoger beroep aangevoerde is een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en voldoende gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Ten onrechte heeft het Uwv aan appellant kenbaar gemaakt dat de zogenaamde starters- en zelfstandigenaftrek in mindering zouden worden gebracht op de fiscale winst. Het geschil spitst zich toe op de vraag of deze onjuiste informatie gevolgen heeft voor het boekjaar 2016. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de inhoud van het gesprek op 3 april 2017 niet van invloed kan zijn geweest op (de hoogte van) de inkomsten van appellant in 2016. Daarnaast bestaan onvoldoende aanwijzingen voor de conclusie dat al in 2016 is toegezegd dat over 2016 deze bestanddelen niet bij het fiscale inkomen zouden worden gerekend. Daarnaast is van belang dat het Uwv verplicht is teveel betaalde uitkering van appellant terug te vorderen. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet. Met de rechtbank wordt ook geoordeeld dat wat appellant heeft aangevoerd over het noodgedwongen als zelfstandige werken, niet kan worden aangemerkt als een dringende reden om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken