CRvB 2 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1314
Vaststaat dat appellant zijn WW-aanvraag van 5 juli 2016 wegens arbeidsurenverlies door beëindiging van de werkzaamheden voor [naam B.V. 1] niet tijdig heeft ingediend. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv de WW-aanvraag van 22 februari 2016 niet heeft hoeven aan te merken als een WW-aanvraag voor de periode tot 1 december 2015 in verband met arbeidsurenverlies bij [naam B.V. 1]. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het Uwv ten onrechte uitsluitend van 1 december 2015 is uitgegaan in verband met arbeidsurenverlies bij [naam B.V. 2] Hieruit volgt dat het feit dat appellant niet tijdig een nieuwe WW-aanvraag heeft ingediend voor rekening en risico van appellant komt. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Vooropgesteld wordt dat op appellant de bewijslast rust van de aanwezigheid van een bijzonder geval. Wat appellant in dat kader heeft aangevoerd is in essentie hetzelfde als in beroep en komt erop neer dat het Uwv ervan op de hoogte was of had kunnen zijn dat het dienstverband met [naam B.V. 1] was beëindigd en hij daarom in aanmerking kwam voor een WW-uitkering. De overwegingen over deze gronden in de aangevallen uitspraak, hiervoor onder 2 weergegeven, worden onderschreven. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat appellant niet heeft voldaan aan de in deze op hem rustende bewijslast. Vastgesteld wordt dat de hoogte van de berekende wettelijke rente niet ter beoordeling voorligt. Appellant heeft in hoger beroep in essentie herhaald wat hij in beroep tegen het bestreden besluit voor zover dit ziet op het verzoek om vrijstelling van de wettelijke rente naar voren heeft gebracht. Deze gronden zijn in de aangevallen uitspraak gemotiveerd besproken. De rechtbank heeft in de door appellant gestelde bijzondere omstandigheden terecht geen aanleiding gezien om af te zien van de verschuldigde wettelijke rente. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daartoe hebben geleid, worden dan ook geheel onderschreven. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de door hem verrichte werkzaamheden voor [naam B.V. 1] Het oordeel van de rechtbank dat de schending van de inlichtingenplicht verwijtbaar is, wordt onderschreven. Het Uwv was daarom verplicht appellant een boete op te leggen. De stelling van appellant dat de boete disproportioneel is omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met een verminderde mate van verwijtbaarheid, slaagt niet. De stelling van appellant dat afgezien moet worden van de boete omdat sprake is van bijzondere omstandigheden, slaagt ook niet. Uit de overweging volgt dat in de situatie van appellant de boete met toepassing van artikel 2, zevende lid, van het Boetebesluit dient te worden bepaald op (50/75 vermenigvuldigd met € 7.800,-) € 5.200,-. Dit betekent dat een boete tot een bedrag van € 5.200,- in dit geval passend en geboden is. Uit de overwegingen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank de hoogte van de boete heeft vastgesteld op € 5.533,33. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht het boetebedrag vaststellen op € 5.200,-. De aangevallen uitspraak zal voor zover aangevochten voor het overige worden bevestigd. Het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente zal worden toegewezen. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand.
De uitspraak op rechtspraak.nl