CRvB 7 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1244
De melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid dateert van 2 maart 2015, dus na het eindigen van de termijn van vijf jaar na de datum van herziening van de WAO-uitkering per 7 september 2007. Appellante voldoet derhalve niet aan de in artikel 39a van de WAO gestelde voorwaarden voor toepassing van een wachttijd van vier weken. Van toepassing is dan ook artikel 37 van de WAO. De stelling van appellante, dat voor haar een wachttijd van vier weken geldt, slaagt niet. De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat met het bestreden besluit het rechtsgevolg van het besluit van 3 juli 2017 niet is gewijzigd. Er is daarom geen sprake van herroeping van dat besluit. Hieruit volgt dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht heeft geweigerd de kosten van de bezwaarprocedure te vergoeden. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek door de betrokken verzekeringsartsen op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank op dat punt. Er is geen reden om aan te nemen dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Wat over de medische beoordeling door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen, wordt onderschreven. De in hoger beroep aangevoerde gronden vormen een herhaling van de gronden die appellante reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Het Uwv heeft met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 november 2017 en 20 mei 2020 deugdelijk gemotiveerd dat in de FML van 20 januari 2016 voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellante. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat, uitgaande van de juistheid van de FML, de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. Gelet op de verdiensten in die functies is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de WAO door het Uwv per 1 augustus 2017 terecht vastgesteld op 35 tot 45%. Ten slotte worden ook de overwegingen van de rechtbank over de artikelen 19 en 40 van de WAO onderschreven. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl