CRvB 19 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1221

Bij de vaststelling van de draagkracht van betrokkene, in verband met aflossing van zijn studieschuld, is ten onrechte het inkomen van zijn zus betrokken, die in dit verband als zijn partner is aangemerkt. Voor de uitleg van het begrip woning in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awir moet aansluiting worden gezocht bij het begrip eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB 2001. Een eigen woning in de zin van dat artikel kan ook een gedeelte van een gebouw zijn. Of sprake is van één of twee eigen woningen dient, in aansluiting bij de fiscale rechtspraak, te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval. De feitelijke situatie leidt tot de vaststelling dat in dit geval sprake is van twee, afzonderlijk bewoonde, eigen woningen (één van betrokkene en één van zijn zus) en niet van één, gezamenlijk bewoonde, eigen woning. Dat de twee woningen wegens het ontbreken van een kadastrale splitsing één registergoed vormen doet hier niet aan af. Ten tijde van belang doet zich niet de situatie voor dat betrokkene en zijn zus mede-eigenaar zijn van een woning die zij samen bewonen, zodat zij niet zijn aan te merken als partners op grond van het bepaalde artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awir. Dit betekent dat de zus van betrokkene ten onrechte is aangemerkt als partner van betrokkene voor de toepassing van de Wsf 2000.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen