CRvB 12 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1105
Geen dwangsom verschuldigd. Geen belang bij ingebrekestelling. Appellante heeft zelf een bezwaarschrift ingediend dat een grond bevatte. Gemachtigde heeft namens appellante een bezwaarschrift ingediend dat geen gronden bevatte. Het college heeft gemachtigde desgevraagd een termijn verleend voor het aanvullen van de gronden. De termijn voor het beslissen op het bezwaar is niet ingevolge artikel 7:10, tweede lid, van de Awb opgeschort. Ten tijde van de ingebrekestelling had het college niet binnen zes weken beslist op het bezwaar. In deze specifieke situatie bewerkstelligt de ingebrekestelling niet dat het college een dwangsom verschuldigd is als het niet binnen twee weken nadien beslist. De dwangsom bij niet tijdig beslissen is bedoeld als middel om tijdige besluitvorming af te dwingen. In dit geval kon het college ten tijde van de ingebrekestelling nog niet beslissen op het bezwaar zonder in strijd te komen met het recht. De aanvullende gronden waren nog niet ontvangen en de daarvoor gegeven termijn was nog niet verstreken. Appellante heeft dus met haar ingebrekestelling het college gebracht in een dwangpositie van conflicterende verplichtingen ten aanzien van het tijdig en volledig beslissen op bezwaar. Hieruit volgt dat appellante geen rechtens te respecteren belang had bij haar ingebrekestelling. Dit geldt in ieder geval in de situatie zoals hier, dat de betrokkene de gehele verdere behandeling van het door hemzelf ingediende bezwaarschrift, en daarmee van zijn materiële en processuele belangen, waaronder de tijdigheid van de besluitvorming, in die zaak, heeft overgedragen aan zijn gemachtigde en de betrokkene de ingebrekestelling zelf en buiten medeweten van zijn gemachtigde doet. Dit betekent dat het college, mede in het licht van het bepaalde van artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder b, van de Awb, geen dwangsom verschuldigd is.
De uitspraak op rechtspraak.nl