CRvB 4 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1024

In het midden kan worden gelaten of betrokkene en zijn echtgenote al hun verplichtingen zijn nagekomen. Met de Svb is de Raad van oordeel dat betrokkene en zijn echtgenote hebben kunnen begrijpen dat de toeslag vanaf juni 2015 te hoog was vastgesteld. Gelet op het inkomensafhankelijke karakter van de toeslag, had het betrokkene en zijn echtgenote duidelijk kunnen zijn dat hij in verband met de inkomsten van zijn echtgenote uit pgb vanaf juni 2015, die een veelvoud van dit bedrag waren, te veel toeslag ontving. De Svb heeft op zitting het standpunt ingenomen dat toepassing van de nieuwe gedragslijn niet leidt tot de conclusie dat herziening met volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. De Raad is van oordeel dat de Svb, gelet op bovenstaande, in deze zaak zijn vaste gedragslijn, neerkomend op toepassing van het ‘oude’ 3:4-beleid, hiermee consistent heeft toegepast. Appellanten worden niet gevolgd in hun stelling dat de Svb de indruk heeft gewekt dat inkomsten niet hoefden te worden doorgegeven omdat de Svb heeft meegedeeld deze van de Belastingdienst te ontvangen. De door betrokkene aangevoerde argumenten duiden niet op dringende redenen waarom de Svb (deels) van de herziening had moeten afzien. Ook van dringende redenen om van terugvordering van het teveel betaalde bedrag af te zien, is niet gebleken. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken